dinsdag 12 oktober 2010

Tussen

Tussen speelt zich voornamelijk af in het donker. Aan het begin van de voorstelling is alles onscherp, traag en zwaar. Een kluwen lichamen? Het vlot van de Medusa van Gérôme Géricault? De Schatten van  Satan van Jean Delville?  De uitgebalanceerde belichting houdt je lang in onzekerheid. Je wilt dat alles helder wordt maar tegelijkertijd wil je dat deze slepende voorstelling doorgaat, deze beweging die tot niets leidt, die de leden van de groep aan elkaar klit als een primordale meute. Zal er iemand opstaan uit deze groep, zal iemand zich ooit kunnen losmaken van deze bewegende slangenkuil?
Tijdens een eerste poging maakt de man met kaal geschoren hoofd, gekleed in bleekgroen gewaad, zich los (een mooie rol van Kenzo Kusuda). Een van de vrouwen volgt hem, ze sleept zich over de grond naar hem toe. Met zijn rechterhand grijpt hij in haar mond en houdt haar zo in bedwang. 
De scheiding gaat gepaard met afkickverschijnselen. Een onophoudelijk beven geselt hun lichamen: de groep trilt.  Deze scene roept bij enkele toeschouwers de onbedaarlijke neiging op om te gaan lachen. Maar om zoiets lach je niet. Die impliciete gedragscode creëert een geweldige spanning. De vrouw rechts voor mij kan zich nauwelijks inhouden. Haar onderdrukte manier van giechelen kunnen ook andere aanwezigen moeilijk weerstaan. Nog even en ik barst zelf in lachen uit: schaamte weerhoudt mij, op het nippertje.
Er wordt geen woord gezegd tijdens de voorstelling, al doet de groep een poging zich kenbaar te maken, ze stoten ongearticuleerde klanken uit.  Wat je hoort is de echo van netwerkers op feesten en recepties. Wellicht probeert Schweigman te visualeren wat  Mallarmé ooit zo onder woorden heeft gebracht, in een heel andere context: Donner un sens plus pur aux mots de la tribu (de groep zoekt naar zuiverheid, naar opgaan in en afscheiden van de groep en misschien wel naar een taal die nog niet bestaat).
Als de leden tenslotte aan de dwingende greep van de groep  ontsnappen, staan ze op en kijken ze het publiek recht in de ogen. Het zijn mensen geworden: vier vrouwen en drie mannen. Ze lijken gekwetst. In hun blikken lees je vooral verwijt. Het publiek voelt zich schuldig. Van het zenuwachtige gegiechel is niets meer te bekennen. Beklemming heerst alom. Tijdens de ogenblikken van volslagen duisternis – een seconde of vijf schat ik – begeven een paar spelers zich in het publiek. Het meisje in  blauw  satijn legt zich tenslotte te ruste op de knieën van de toeschouwers die voor mij zitten. Nog even en Ophelia is niet meer.
Het is een suggestieve voorstelling: telkens als het licht na een paar tellen is gedoofd, blijven de beelden van de gestalten op het toneel nog even op je netvlies hangen. De beelden veranderen langzaam van kleur maar voordat het amorfe grijs overgaat in volslagen duisternis, staan er weer mensen van vlees en bloed op het toneel. Het ontregelende staccato van stilte en geluid, van licht én afwezigheid van licht begint opnieuw. Overal bespeur je ritmes: in ademhaling, beweging, licht en geluid maar vooral in intensiteit. Er wordt voortdurend strijd geleverd. Maar de vraag of er iets wordt geboren of iets afsterft wordt niet beantwoord.  Het zijn retorische vragen, verpakt in filmische visualisaties.  Tegenwoordig noemen we dat een performance.

Info
  • Tussen is een productie van Boukje Schweigman. 
  • Gezien in Frascati, Amsterdam. Met een sterke rol van Kenzo Kusuda. 
  • Donner un sens plus pur aux mots de la tribu: dit citaat komt uit Au Tombeau d'Edgar Poe van Stéphane Mallarmé: 1875
  • Het vlot van de Medusa van Géricault: 1818 
  • De Schatten van  Satan: 1895
  • Jean Delville: 1867 -1953
    link
    http://boukjeschweigman.nl/

    vrijdag 2 juli 2010

    Caren van Herwaarden in AMC

    De mensfiguren in het werk van Caren van Herwaarden maken zich steeds vaker los van de ondergrond van papier. Vooral als je het werk zo fotografeert dat de weerspiegeling in het glas van de vitrines een eigen leven gaat leiden.



    Links

    Brummelkamp Galerie
    Caren van Herwaarden

    zaterdag 17 april 2010

    Iconen

    Haar schilderijen zijn gemaakt naar modellen van kinderen. Ze dragen een doornenkroon, een sluier of ze zijn geblinddoekt. Of hun ogen zijn voorzien van een apart laagje verf - een schelpje - waardoor het staren wordt beklemtoond. Of het gebit is geen gebit maar decoratie: niet eten maar showen is belangrijk. Een beugel als statement. Waarom kinderen, vraag ik haar? Hun gezichten zijn nog niet getekend, antwoordt ze. Leeftijd als onschuld.

    Katinka Lampe signeert haar catalogus voor Gelske (die vandaag 51 is geworden). Dat lijkt me een mooi cadeau. Het huidige werk van Lampe doet denken aan dat van Kikki Lamers. Ze hebben beiden gestudeerd aan de Sint Joost in Den Bosch (officieel de Koninklijke Akademie voor Kunst en Vormgeving).

    Dit is werk van Ruud van Empel. Ook hij gebruikt kinderhoofden als icoon, maar in een heel andere setting. Zijn techniek bestaat uit het fotograferen van modellen en het bewerken van de opnames (landschappen, close-ups en portretten). Over picturalisme gesproken. Daarvoor moet je nu in het Rembrandthuis zijn: In atmosferisch licht.

    Bij Gabriel Rolt hangt nu werk van Dawn Mellor. Het thema (vermeende onschuld van een icoon) is verwant aan dat van Lampe maar het uitgangspunt is tegenovergesteld. Het schetsmatige portret van Scarlett Johansson bijvoorbeeld is een toonbeeld van geschondenheid: Each painting isolates the actress in the canvas, with its iconic figure subjected to warped symbolism, acts of violence and physical mutation. Zo vat Gabriel Rolt het thema samen in het persbericht. Iconoclasme op canvas.

    Links
    http://www.ronmandos.nl/exhibition/current
    http://web.ruudvanempel.nl/home.html
    http://www.gabrielrolt.com/exhibitions.aspx
    In atmosferisch licht

    zondag 7 maart 2010

    Chopin

    Frédéric Chopin is vandaag op de kop af 200 jaar geleden geboren, dat wil zeggen: 1 maart is de datum waarop hij in Warschau is gedoopt. Hij is waarschijnlijk op 22 februari 1810 geboren. Soit. De geboortedatum werd ook gevierd op de vleugel - een Schimmel - in het zaaltje van de Vrije Gemeente aan de Vermeerstraat in Amsterdam.
    Julian Bon, die links voor mij zat, maakte tijdens de lezing van Otto Klap en het spel van vier verschillende pianisten een tekening van het concert. Aan hem en aan zijn vader heb ik gevraagd of ik er een foto van mocht maken. Hieronder de handen van zijn vader.
    Tooske Hinloopen, Martijn Smits, Arnout Rosdorff en Jasper Bon waren de pianisten. Martijn Smits was de meest indrukwekkende pianist vond ik, met een heldere articulatie. Hij maakte er een heuse voorstelling van: kort maar krachtig. Jasper Bon speelde ingehoudener en Arnout Rosdorff speelde een etude zoals ik een etude nog nooit had gehoord: met ronde klanken, misschien wel te mooi. Tooske Hinloopen speelde een andere etude heel zorgvuldig, gedecideerd zelfs, hoewel ze het een killer noemde (er was er nog een). Volgende week zondag wordt er in Putten weer gespeeld, dan worden alle 27 etudes van Chopin gespeeld door een twintigtal pianisten.
    Otto Klap, die de inleiding voor zijn rekening nam, kan heel smakelijk vertellen over zijn ervaringen met het spelen van Chopin. Een docente aan het conservatorium in Utrecht, een oud dametje vond hij als zestienjarige, gaf harmonielessen maar op de piano in kwestie bleef een toets haperen. Tooske Hinloopen speelde het voor. En ook Otto Klap moest het zelf nog een keer laten horen.
    In der Beschränkung zeigt sich der Meister, sprak hij docerend, Goethe citerend. En Chopin heeft dat heel goed ter harte genomen, want als je aan Chopin denkt, denk je aan piano. Zo vatte Otto Klap de muzikale prestatie van Chopin samen.

    Dit zijn de handen zijn van Tooske Hinloopen en van Arnout Rosdorff die niet echt veel tijd aan de voorbereiding had besteed. Na drie keer spelen had hij het na vele jaren weer snel onder de knie.
    Tooske Hinloopen had het net over de Suzuki methode gehad, een methode die het accent legt op ontspanning van het lichaam (en de geest), net voordat de handen in beweging komen.

    Link

    www.vrijegemeente.nl
    Chopin Etude Marathon

    zondag 4 oktober 2009

    Alfred Stevens

    Vanmiddag was ik in het Van Goghmuseum waar Sara van Dijk een lezing gaf over Alfred Stevens en de haute culture. Dat is een boeiende lezing geworden want ze ging uitgebreid in op wat voor toiletten de dames destijds droegen. Ze wist het een en ander te vertellen over crinoline, mousseline en kasjmieren sjaals die erg prijzig waren omdat ze in India werden gemaakt en vooral omdat het tweeënhalf jaar kostte om ze te weven.
    Van Dijk vertelde dat de kooiconstructie niet als een gevangenis werd ervaren zoals men vaak denkt. Het lijkt zo'n mooie metafoor, maar de realiteit was dat vrouwen deze constructies ervoeren als een bevrijding. Ze waren gewend aan japonnen die minder bewegingsvrijheid boden omdat er zoveel onderrokken onder zaten die veel zwaarder wogen. Bovendien nam het volume toe.
    De dames, die deze japonnen droegen, leken op hoog opgetuigde zeilschepen die uitvoeren om indruk te maken op de andere gasten die de soirées en de bals bezochten. En dat was natuurlijk de bedoeling.
    Zo'n japon was een statement van de dame in kwestie, een uitdaging aan haar sexegenoten en een van de belangrijkste troeven om haar positie te waarborgen. Zie, hier ben ik. Om mij kun je niet heen.
    Een schilder die ook graag bals schilderde was James Tissot en hij deed dat uitermate levendig. Stevens schilderde bij voorkeur verstilde interieurs.
    In de jaren vijftig was de productie van synthetische verfstoffen ontstaan en in de jaren daarop nam het kleuren van stoffen een hoge vlucht. Er verschenen creaties in blauw, geel, grijs, groen en pink. Elk onderdeel werd met zorg afgewerkt en het geheel oogde monochroom. Het waren kunstwerken op zich.
    Daarbij kwam ook C.F. Worth ter sprake die een nieuwe mode in het Parijs van het tweede Keizerrijk heeft geïntroduceerd. Afkomstig uit een klein dorpje in Engeland, vervolgens leerling bij een kleermaker in Londen, zocht hij als negentienjarige zijn heil in Parijs. En die stad heeft hij veroverd met zijn voor die tijd gewaagde creaties.
    Hij was eigenlijk de eerste modestylist zoals wij die kennen. Met zijn oog voor artistieke vormgeving wist hij door te dringen tot de kring van Pauline Sandor, prinses van Metternich en via haar kreeg hij toegang tot het hof van Eugénie de Montijo, de echtgenote van Lodewijk Napoleon III. Tot de keizerin dus.
    Wat mij interesseert in het werk van Stevens is het feit dat hij de eerste schilder is geweest die de vrouw zo prominent in haar eigen interieur plaatst. Hij begint daarmee in 1855, het is een omslag in zijn werk dat zich tot dan toe als sociaal-realistisch laat omschrijven. Deze gegevens haal ik uit Alfred Stevens, 1823 - 1906, de catalogus die voor deze tentoonstelling is geschreven.
    En wat mij nog meer interesseert is, is dat hij andere schilders als Sargent, Whistler en Tissot beïnvloed zou hebben. Saskia van Dijk beweerde het ook. En dan doel ik op de keuze van het onderwerp, niet op de stijl van schilderen. Dat wil ik graag onderzoeken.
    The Ball is een schilderij van James Tissot, hij heeft het blijkbaar twee keer geschilderd, dit is het beste schilderij vind ik zelf.

    info
    De foto heb ik die middag genomen, wel heb ik de vrijheid genomen om storende elementen weg te halen. Zo is het een klassiek plaatje geworden. De vrouw in kwestie had en heeft natuurlijk hulp nodig bij het aan- en uitkleden.

    Met dank aan het Van Goghmuseum
    De nieuwe snuisterij of India in Parijs, de exotische snuisterij, ca. 1865–1866, Alfred Stevens (1823-1906), Van Gogh Museum, Amsterdam

    Dame in geel of Remember, 1863
    , Alfred Stevens (1823-1906), Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel

    Met dank aan Musée d'Orsay
    The Ball, 1880, James Tissot, Musée d'Orsay, Paris

    links
    VanGogh Museum
    Musée d'Orsay, Parijs

    zaterdag 12 september 2009

    Odilon Redon (1)

    De mooiste werkjes van Odilon Redon tref ik aan op de tweede verdieping van het Van Gogh Museum. De tentoonstelling Meesterwerken uit de collectie van Andries Bonger bevindt zich op de derde en tweede verdieping.
    Het gaat me om twee van de zeven litho's uit de serie Spookhuis. De details vind ik het mooist, op de ene litho is het de ronde trap en dito leuning, op de andere litho het ronde tafeltje. De sfeer doet me denken aan de intimistische tekeningen van Xavier Mellery, maar er is een groot verschil: in de noirs van Redon speelt het macabere op de een of andere manier een grote rol, in het werk van de jongere Mellery is er eerder sprake van berusting.
    In 1900 heeft Redon zijn laatste noir gemaakt. Toen was de zwarte periode voorbij en brak er een andere periode aan waarin hij onder andere prachtige pastels heeft gemaakt. Ook in zijn bloemstukken is er nog iets te zien van dat sprankelende kleurgebruik. Maar in die zwarte periode maakt hij intrigerend werk. Karl Joris Huysmans heeft het volgende over Redon geschreven in een boek dat beroemd is geworden. Dat boek heet Au rebours (1884), in het Nederlands Tegen de keer, vertaald door Jan Siebelink in 1970.
    Het is de bijbel van de decadenten en de symbolisten geworden. Ik citeer: Deze tekeningen waren niet in een categorie onder te brengen; de meeste overschreden de grenzen van de schilderkunst en schiepen een nieuw soort fantastische kunst: die van ziekte en waanzin. Het Portret van Dorian Gray van Oscar Wilde is er een afgeleide van en dat is in 1890 geschreven.
    Maar ik dwaal af, ik wil eigenlijk een link leggen met het werk van een hedendaags kunstenaar. Kunstenares moet ik zeggen, ze heet Liesje van den Berk en ze heeft in eigen beheer een boekwerk gepubliceerd.
    Fata Morgana van Rust, dat is de titel. Het heeft ogenschijnlijk niets met de noirs van Redon te maken maar toch. De tentjes die in de tekeningen en in de installaties of performances van Van den Berk voorkomen laten het hoofd juist niet zien. Het hoofd wordt aan het gezicht onttrokken.
    Waar Redon zich liet leiden door Polyphemus of door de Cycloop, het hoofd dat oog is geworden en het oog dat alles waarneemt en zich bewust is van de duistere, macabere en mysterieuze kanten van ons bestaan, daar verbergt Van den Berk het hoofd van haar personages.
    Zij wil de realiteit niet bekijken en doorgronden, nee, zij wil zich aan de beeldenstorm van ons multimediale tijdperk onttrekken. Ze trekt zich terug.
    De hoofden van haar getekende of niet getekende (maar gefotografeerde) personages bevinden zich in een tentje. Een tentje zoals we ons een tentje voorstellen: een dak boven ons hoofd. Niet meer, niet minder. Het is de eenvoud die haar werk zo krachtig maakt. We leven niet meer in de negentiende eeuw, we leven in het nu waarin we iedere dag worden gebombardeerd met nieuwe beelden die alleen maar herhalen wat we al weten.
    Is het niet genoeg elke gedachte slechts één keer te denken? Dit vraagt Miriam Schumacher zich af op pagina drie.
    Is het niet genoeg om een beeld maar een keer te zien? Of slechts één thema te herhalen? Dat lijkt Van den Berk zich af te vragen. Een belangrijke vraag lijkt me, zeker in onze tijd. Ze hebben trouwens iets komisch, deze tekeningen. Zie de tekeningen op haar website.

    Dit is haar boek dat je als je een tentje kunt openklappen en neerzetten. Het boek als beeld, als beeldspraak in optima forma.

    Links

    Info
    • Fata Morgana van Rust, Liesje van den Berk, 2009 (uitgegeven in eigen beheer)

    vrijdag 17 juli 2009

    Drawing lines - Connecting stories

    Ik las onderstaande tekst van Patricia Kaersenhout en dacht aan wat Caren van Herwaarden ooit heeft geschreven. Beide vrouwen zijn kunstenaar, ze verschillen in komaf en leeftijd. Ze maken heel verschillend werk. Kaersenhout is als kind van Surinaamse ouders opgegroeid in Den Helder (de rest van de straat was wit). Caren Herwaarden is opgegroeid in Tilburg en zij is wit. Kaersenhout stelt haar ontwikkeling als kunstenaaar centraal: ontwikkeling is haar stijl zou je kunnen zeggen. Van Herwaarden bestudeert de mens als naaste én als deel van de groep of van de massa.

    Dit schrijft Patricia Kaersenhout:

    'Hier bestaat alleen in relatie tot daar.
    Als kind dacht ik dat de sterren aan de hemel gaten in de lucht waren, waardoor het licht van een andere wereld scheen. Ik fantaseerde dat er duizenden ogen door die gaten naar mij keken.

    ’s Nachts wanneer iedereen in huis sliep stond ik zachtjes op en verkleedde me. Ik speelde stille toneelstukjes waarin ik alle rollen had en al die tijd was ik mij ervan bewust dat ik bekeken werd, maar ik deed net alsof ik het niet doorhad.
    Zo fietste ik ook overdag over straat. Wetende dat duizenden ogen vanuit de lucht mij bekeken en iedere handeling die ik deed nauwlettend in de gaten hielden. Ik vond het een prettig gevoel om bekeken te worden door die andere wereld. Het maakte dat ik me speciaal voelde, anders dan anderen, want het was een geheim dat alleen ik deelde met die andere wereld.'
    Zij geeft er deze verklaring aan:
    'In werkelijkheid waren het de ogen van de mensen om ons heen, waarvoor wij vreemdelingen waren, anders dan de rest in de Nederlandse straat waar wij woonden. Ik prijs mezelf gelukkig met mijn kinderlijke fantasie.'

    En dit schrijft Caren van Herwaarden:

    'Ik herinner me nog goed hoe het voelde om als kind het idee te hebben dat God mij vanuit de hemel gadesloeg. Ik voelde me meer begeleid dan bespied door die blik (behalve als ik iets deed dat niet mocht). Ik vond het een geruststellend idee dat ik niet alleen was. Ik had een manier om na te gaan of Hij nog wel oplette: ik volgde Zijn blik en zag mezelf en de andere kinderen.'
    En ze vervolgt:
    'Ik kijk nog altijd zo, via een soort satelliet eigenlijk. Dan vraag ik me af wat een god zou zien, of een vogel. In ieder geval een Hoog Oog. Het lijkt een rare tic maar het is voor mij een manier om verbanden te zien. Om te weten waar ik sta ten opzichte van de anderen, om mezelf te kunnen plaatsen, te relativeren.
    Door dit vogelvluchtperspectief zie ik mensen in veelvoud, de bewegingen die ze maken vormen patronen. Het zijn vooral menselijke gedachten, angsten of driften die mij de aanzet voor zulke vormen geven. De vorm die tot stand komt gedraagt zich als één lichaam met een eigen choreografie.'

    Duizenden ogen houden de kleine Patricia (1966) in de gaten, het Hoge Oog van de kleine Caren (1961) doet precies hetzelfde. Kaersenhout noemt het een geheim, Van Herwaarden een rare tic. Kaersenhout vond het een prettig gevoel om bekeken te worden en Herwaarden vond het geruststellend dat ze niet alleen was. Hier bestaat alleen in relatie tot daar, schrijft Kaersenhout, Van Herwaarden heeft de tic nodig om zichzelf te kunnen plaatsen.

    Kaersenhout speelde als kind toneelstukjes en Van Herwaarden herkent op deze manier nog steeds patronen of vormen. Ze noemt het choreografie.
    Het gaat mij vooral om de overeenkomsten. Van Herwaarden heeft het over God, dat aspect laat Kaersenhout geheel buiten beschouwing.

    Info
    Shoot for the moon. Even is you miss, you’ll land amond the stars.
    door Patricia Kaersenhout. Amsterdam 2009
    Wakaman, drawing lines - connecting dots
    Contemporary Art, Suriname
    Pagina 107

    Vlek wordt Mens
    door Caren van Herwaarden
    De uitgave is mogelijk gemaakt door het Stedelijk Museum Roermond ter gelegenheid van de expositie ‘Het lichaam draagt’
    2004
    Pagina 07, 08

    Links
    http://www.kaersenhout.com/
    http://www.cvanherwaarden.nl/